In het bijzonder voor de nieuwe Oost-Europese lidstaten van de EU zijn de negatieve implicaties van gelegaliseerde softwareoctrooien schadelijk. Softwareoctrooien zouden deze landen van aanzienlijke kansen beroven.
Betaalbare en innovatieve software is een essentiële vereiste voor de Oost-Europese economieën om te kunnen groeien en bloeien.
Om een West-Europees inkomstenniveau te bereiken, heeft Oost-Europa een strategische behoefte aan het benutten van informatietechnologie. In verhouding tot het huidige inkomstenniveau in Oost-Europa zijn de kosten van computersoftware zelfs nog groter dan in het Westen.
Het probleem van naar verhouding hogere kosten is zelfs groter als het gaat om de kosten van patentering.
De kosten van een Europees octrooi zijn ongeveer 30.000 Euro, en softwarebedrijven hebben een groot aantal octrooien nodig voor defensieve doeleinden. Oost-Europese landen zouden dief van hun eigen portemonnee zijn door het steunen van een octrooisysteem dat een grote en contraproduktieve kostenlaag toevoegt aan software-ontwikkeling. De auteursrechtenwet, die iedere ontwikkelaar beschermt zonder bijkomende kosten, is veel beter in staat om de knappe koppen in Oost-Europa in staat te stellen om software te ontwikkelen voor hun eigen markten plus de gehele interne markt van de EU.
De Oost-Europese lidstaten van de EU hebben geen traditionele industriereuzen zoals Duitsland of Zweden.
Op de lange termijn is het netto effect van softwareoctrooien nadelig voor elk Europees land, hoeveel grote bedrijven het ook heeft. Het is zelfs nadelig voor de Verenigde Staten, waar de Federal Trade Commission grote zorgen heeft geuit. In een land met enkele wereldspelers zoals Siemens is er echter een heleboel druk vanuit lobbyisten voor brede patenteerbaarheid, en soms slagen zij erin om hun nationale regeringen te verleiden tot het maen van verkeerde keuzes. Het is moelijk te begrijpen waarom kleinere landen met anders gestructureerde economieën anderen op het verkeerde spoor zouden moeten volgen. Hoe meer een land een software-importeur is in plaats van exporteur, hoe minder logisch het is om te vragen om enige wetgeving die het moeilijker maakt voor nieuwkomers om de markt te betreden, en die slechts dient om software kostbaarder en minder innovatief te maken.
"Van die softwareprodukten die op miljoenen plekken ter wereld geïnstalleerd zijn, zou MySQL wel eens degene kunnen zijn met het hoogste percentage bijdragen van Oost-Europese programmeurs. We hebben daar geweldig talent gevonden vanwege de bijdragen die Oost-Europese ontwikkelaars gedaan hebben, en dankzij de internetcommunicatie die we met hen gehad hebben. Daarom zijn we steeds meer van hen gaan inhuren bij onze virtuele organisatie, waarin geografische afstanden bij lange na niet zo belangrijk zijn als het aantrekken van de beste mensen."
Maurizio Gianola, VP Software Engineering, MySQL AB
De strategische relevantie van open source is zelfs nog meer van toepassing op Oost-Europa dan op het Westen.
Los van kostenoverwegingen, die niet uitsluitend een open source-zaak zijn, zijn er twee redenen waarom open source-software in het bijzonder voordelig is voor Oost-Europa. De eerste is dat een belangrijk aantal open source-ontwikkelaars Oost-Europeaan is. Een groot deel van de software-ontwikkelingsstaf van MySQL werkt bijvoorbeeld vanuit Oost-Europa, niet omdat het bedrijf daar speciaal geworven heeft maar gewoonweg dankzij het feit dat deze mensen bijgedragen hebben, via het internet, aan open source-projecten. Een ander aspect is dat sommige Oost-Europese talen een relatief kleine markt representeren. Hoewel slechts een handvol softwarehuizen hun software naar dergelijke talen vertaalt, is er vrijwel altijd één of andere open source-ontwikkelaar in elk land die vroeger of later een open source-programma vertaalt, zelfs als het maar gebruikt wordt door een zeer beperkt aantal mensen dat die taal spreekt. Bij closed source-software bestaat die vrijheid niet.